Het verslag van het Amateur Overleg (AO96) is gepubliceerd met evaluatie van de gedragslijn vergunningen radiozendamateurs

Bij de introductie van de gedragslijn is afgesproken dat na een half jaar evaluatie zal plaatsvinden. De VHF-en-hoger commissie heeft hiervoor diverse zaken bij de WOO aangebracht t.a.v. de evaluatie van de Gedragslijn Vergunningen Radiozendamateurs in het Amateur Overleg.

Communicatie rond specifieke eisen

De gedragslijn geeft een kader.

Aan de hand van dat kader worden aanvragen gedaan waarna de aanvrager pas bekend wordt met de specifieke eisen op het moment dat de vergunning op de mat valt. Dit geeft achteraf onnodige complicaties die eenvoudig te voorkomen zouden zijn als AT duidelijk communiceert over de specifieke aspecten. Het lijkt ons zinvol als AT bij de aanvraag vermeldt wat men kan verwachten. Scheelt werk voor AT en frustratie bij aanvragers.

Identificatie

In de gedragslijn wordt het volgende over identificatie gesteld:

De voorschriften en beperkingen kunnen per vergunning verschillen en worden bij het verlenen van de vergunning vastgesteld. Ze maken onderdeel uit van de vergunning en worden vermeld in de vergunning zelf of in meegezonden bijlagen. Veel voorkomende voorschriften zijn een ingebruiknameverplichting, een bepaling over de identificatie van het station en de verplichting om voorrang te verlenen aan frequentiegebruik met een primaire status.

In verstrekte vergunningen staat hierover:

Identificatie

Tijdens de uitzendingen van het station worden de roepletters  xxxx herkenbaar en waarneembaar één keer per vijf minuten uitgezonden in morse (A1A, met een maximale snelheid van twintig woorden per minuut) of in spraak (F3E).

In de (vervallen) gebruikersbepalingen amateurfrequentiegebruik staat over identificatie: de radioroepnaam is bij data- en beeldoverdracht aan de ontvangstzijde na demodulatie in leesbaar schrift zichtbaar. Bij automatische telegrafie en bij data- of beeldoverdracht waarbij technische belemmeringen het onmogelijk maakt om in de voorgeschreven regelmaat de radioroepnaam uit te zenden, wordt de radioroepnaam kenbaar gemaakt door middel van spraak of morsetelegrafie. Informatie wordt niet versleuteld verzonden.

In de Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015 (Geldend van 01-04-2017 t/m heden) staat over identificatie:

  • de in artikel 6, tweede lid, bedoelde combinatie van letters of cijfers wordt ten minste bij het begin en bij het einde van elke uitzending en ten minste eenmaal per periode van vijf minuten uitgezonden, waarbij een reeks kortdurende uitzendingen wordt aangemerkt als één uitzending;
  • d. de combinatie van letters of cijfers is bij data- en beeldoverdracht aan de ontvangstzijde na demodulatie in leesbaar schrift zichtbaar;
  • e. bij automatische telegrafie en bij data- of beeldoverdracht waarbij toepassing van onderdeel c stuit op technische belemmeringen wordt de combinatie van letters of cijfers kenbaar gemaakt door middel van spraak of morsetelegrafie;

We kunnen ons voorstellen dat bij zeer experimentele modus inderdaad A1A wenselijk is maar om dat bij FM (F2A mag dus niet volgens AT), D-STAR, DMR, Fusion etc. door te voeren lijkt ver gezocht. Zeker als de roepletters al in het display en/of internet reflector verschijnen. Daarnaast blijkt dat bij het onderbreken van de datastroom bij deze digitale systemen er complicaties optreden. De afgelopen jaren zijn diverse van deze modi probleemloos gebruikt met een identificatiesysteem binnen het protocol, zodat naar we aannemen er geen reden is een probleem te introduceren.

Iets verderop in de Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015:

  • i. de combinatie van letters of cijfers wordt uitgezonden overeenkomstig de volgende klasse van uitzending:
  • 1°. spraak: A3E, H3E, J3E, R3E, F3E en G3E;
  • 2°. morse telegrafie (maximale snelheid van 30 woorden per minuut): A1A, A2A, F1A, F2A, J2A, G1A en G2A;
  • 3°. automatische telegrafie: A1B, A2B, F1B, F2B en J2B;
  • 4°. data- of beeldoverdracht: F1D, F2D en G2D;
  • 5°. facsimilé en slow-scan televisie; (SSTV): A1C, A2C, A3C, J2C, J3C, F1C, F2C, F3C, G1C, G2C en G3C;
  • 6°. amateurtelevisie: A3F, C3F en F3F.

Het lijkt dus vreemd dat bij nieuw relaisstation de eisen zoveel afwijken van de algemene regeling.

Daarnaast is de snelheid van 20 woorden per minuut vreemd, die wijkt namelijk af van de Regeling, waar immers maximaal 30 woorden per minuut als identificatie is toegestaan.

Efficiënt bandgebruik

Een ander aspect is het efficiënt frequentiegebruik (mogelijk is dit wat prematuur om al in het AO in te brengen).

Bij diverse modulatiesoorten wordt geëxperimenteerd met bandbreedten die veel kleiner zijn dan het 12,5 KHz raster biedt.  Zo zou tevens de mogelijkheid kunnen worden geboden om kleinere bandbreedten aan te vragen voor relaisstations.  Dat zou er voor kunnen zorgen dat in dezelfde bandbreedte meer relaisstations kunnen worden ondergebracht (waarbij het natuurlijk maar de vraag is of men dat dan ook werkelijk aanvraagt). Om mee te beginnen zou 6,25 KHz bandbreedte in aanmerking kunnen komen, zodat in ieder geval het 12,5 KHz raster gehandhaafd blijft. Het is hierbij beslist niet de bedoeling dat een specifiek bandsegment ingericht wordt voor alleen 6,25 KHz aanvragen.

APRS mobiel

Op de website van AT is het volgende te lezen:

(Digi)repeater thuis
Agentschap Telecom heeft recent enkele ‘digipeaters’ in het APRS-netwerk onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat er mogelijk enige onduidelijkheid bestaat over het gebruiken van een (digi)repeater op basis van de eigen amateurregistratie. Vooral het idee dat ‘als je bij de zender aanwezig bent’ je een repeater op een privé-call mag gebruiken blijkt door veel zendamateurs als juist te worden gezien. Om deze onduidelijkheid weg te nemen, is hieronder de van toepassing zijnde regelgeving uitgelegd.

Een (digi)repeater zendt aan de ingang ontvangen berichten, zonder tussenkomst van de eigenaar/gebruiker van deze repeater, opnieuw uit. In de situatie dat dit gebeurt met een vergunning (voorheen ATOF) is dat juist, maar in de situatie dat dit gebeurt op basis van de registratie is dit fout. Hierbij speelt artikel 10 van de Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning met meldingsplicht 2015 een rol:

Art. 10, lid 1, onder b zegt: “Het uitzenden van omroepprogramma´s, muziek, reclame of berichten van of voor derden is niet toegestaan.”

Ook berichten van andere zendamateurs of andere geautomatiseerde systemen zijn berichten van derden. Hiermee is het ter beschikking stellen van een (digi)repeater aan andere zendamateurs een gebruik dat niet wordt gedekt door de registratie van de eigenaar/gebruiker, maar dient te worden gedekt door een vergunning voor het zenden met een relaisstation van Agentschap Telecom. Lees meer over het aanvragen van een vergunning in de Gedragslijn vergunningen radiozendamateurs.

Het gebruik van repeaters zonder vergunning kan leiden tot een sanctie.

Feitelijk zegt AT hiermee dat APRS niet mag op de manier waarop dit gedaan werd door stations in de auto. APRS relayeert standaard, dat staat gewoon default aan. Omdat bij de aanvraag van een vergunning (voorheen ATOF) een locatie moet worden opgegeven is het kennelijk niet mogelijk om APRS mobiel te gebruiken.

Het APRS netwerk is wel in stand te houden door stations die thuis ontvangen het niet te ‘heruitzenden’ maar op internet beschikbaar te stellen, het zogenaamde igate. Juist in gebieden waar minder of geen APRS ontvangststations thuis zijn opgesteld valt er een ‘gat’ in het systeem.

Ziet AT een mogelijkheid om het APRS systeem te blijven gebruiken door mobiele station? Bijvoorbeeld door een herdefiniëring dan wel door ‘mobiele locaties’ toe te staan als digirepeater?

Het uiteindelijk verslag van het (in twee delen gehouden) Amateur Overleg is hier te lezen.